Somme 2012 
2/8/12, 22:10
Engeland is groter dan u denkt. Vooral in het eerste kwart van de twintigste eeuw hebben er uitbreidingen plaatsgevonden die bij velen onbekend zijn. Om die groeiplekken te kunnen zien is het niet nodig de Noordzee over te steken, een uitstapje naar de omgeving van de rivier De Somme in Noord-Frankrijk volstaat.

Op de slagvelden (of beter: slachtvelden) tussen ruwweg Péronne, Albert en Bapaume zijn vele tientallen begraafplaatsen te vinden met resten van militairen die hebben deelgenomen aan de Eerste Wereldoorlog. En omdat de Fransen de grond voor die begraafplaatsen geschonken hebben aan de Engelsen, is Engeland een stukje groter dan alleen het eiland aan de andere kant van de Noordzee.

Overigens moet er niet van Engelse begraafplaatsen worden gesproken maar van Britse. Er liggen namelijk ook vele tienduizenden Ieren (vooral Noord-Ieren), Schotten en Welshmen begraven, naast soldaten uit de Britse dominions Australië, Nieuw-Zeeland, Canada en Zuid-Afrika en uit kolonies als India en Newfoundland.


De regio’s Picardië en Pas de Calais zijn uitermate geschikt voor een battlefield tour langs begraafplaatsen, monumenten, loopgraven en musea. Onze uitvalsbasis voor zo’n tour was het dorpje Bazentin-le-Petit, om preciezer te zijn: de gîte van Christophe Cabuzel en Delphine Lelong, een verbouwde paardenstal achter hun woning aan de Rue Lamarck 12. Groot genoeg voor zes personen (en een bébé) die niet al te breed en niet al te lang mogen zijn, met beneden een grote woonkeuken, doucheruimte en toilet en boven een woonkamer en drie slaapkamers. Vanuit de woonkamer kijk je uit op een weiland met koeien en een begraafplaats.


Bazentin
Bazentin lag na de Duitse inval in 1914 in bezet gebied. Het dorp bleef in Duitse handen tot 14 juli 1916, toen de geallieerden het dorp veroverden. Tijdens de grote Duitse opmars in april 1918 kwam het dorp weer in Duitse handen, waarna militairen uit Wales er eind augustus voor zorgden dat Bazentin definitief werd bevrijd. Voor die tijd waren er trouwens twee dorpjes: Bazentin-le-Petit ten noorden van de D20 en ten zuiden ervan Bazentin-le-Grand. Dat laatste dorp is op een enkele boerderij na van de kaart verdwenen.

Het huidige Bazentin bestaat eigenlijk alleen uit de Rue Lamarck, met aan de weg enkele boerderijen, een kerk met een monument voor de gevallenen, achter de kerk een standbeeld van de Franse bioloog Jean-Baptiste de Lamarck op de plek waar zijn ouderlijk huis stond voordat het door artilleriebeschietingen werd verwoest en enkele verbouwde noodwoningen uit ongeveer 1920.

Behalve op de militaire begraafplaats aan de Rue Lamarck liggen er ook militairen begraven op het dorpskerkhof en de naastgelegen uitbreiding.
Naast het dorpskerkhof ligt een soort kalksteengroeve met veel vuursteenknollen. In feite bestaat Noordwest-Frankrijk voor een groot deel uit kalksteen en silex. Een goede voedingsbodem voor klaprozen, zoals overal in de omgeving is te zien. De klaproos (Engels: poppy) is het symbool van de Eerste Wereldoorlog geworden. Handige marketingmensen hebben daar gebruik van gemaakt door de oprichting van het toeristische merk Le Pays du Coquelicot. Bij het onderdeel Visiter op de site van de 'Klaprozenstreek' is een brochure te downloaden als pdf-file met namen en adressen van accommodaties, restaurants en grotere evenementen.

Vlak onder het dorp, eigenlijk al een beetje in de buurt van Mametz, ligt nog een begraafplaats: Flatiron Cops Cemetery . Opvallend is dat hier 3 x 2 broers begraven liggen: de broers Tregaskis en Hardwidge en de tweeling Philby.


Pozières
Drie kilometer ten westen van Bazentin ligt het boerendorpje Pozières (242 inwoners in 2008), langs de oude Romeinse weg van Albert naar Bapaume, nu de D929. Bij het begin van de Slag bij de Somme, op 1 juli 1916, was Pozières nog buiten schot gebleven, maar zo’n vier weken later was er van het dorp niets meer over.

Op 10 juli begonnen de eerste Britse aanvallen op het dorp, maar die mislukten volkomen. Ook de aanval van 15 juli werd afgeslagen. Zondag 23 juli kwamen voor het eerst Australiërs in actie aan het Somme-front. Ze werden ingezet bij Pozières. Het lukte ze het dorp in te nemen, maar de Duitsers reageerden met een artilleriebombardement, waarna het dorp was verdwenen.
Ondanks grote verliezen trokken de Australiërs verder naar de windmolen op de heuvelrug van Pozières, een paar honderd meter buiten het dorp. Uiteindelijk wisten ze de belangrijke heuvelrug te bezetten. In enkele weken tijd telde het Australische leger 23.000 doden en gewonden. In en rond Pozières herinneren diverse monumenten aan de strijd. Onder meer een Britse begraafplaats met monument aan de weg naar Albert (met één Duitser tussen allemaal geallieerden), een Australisch gedenkteken op de plek waar de windmolen stond en zelfs op de watertoren van Pozières worden Australiërs herdacht.

Tegenover het gedenkteken bij de voormalige windmolen staat nog een ander, het Tank Memorial. Vanaf deze plaats werden 15 september 1916 enkele tanks ingezet om Courcelette te veroveren, een dorp dat even verderop ligt langs de weg naar Bapaume. Het is slechts een klein monument dat in de schaduw staat van de bomen en de hoge zendmast die er achter is geplaatst. Er staan vier miniatuurtanks op, waaronder een Mark 1. Het monument is in juli 1922 onthuld.


Albert
De enige stad – of misschien beter: groot dorp – in de omgeving waar de Slag bij de Somme zich heeft afgespeeld is Albert, een plaats met zo’n 10.000 inwoners, een basiliek, een museum, een art deco gemeentehuis en een station. De koepel van de basiliek Notre-Dame de Brebières is al van verre te zien, omdat er bovenop een reusachtig beeld staat. In eerste instantie zou je denken dat het een replica is van Michael Jackson die zijn zoontje uit een hotelraam in Berlijn tilt, maar bij nadere beschouwing blijkt het te gaan om Maria die haar kind Jezus vasthoudt. De armen van het kind vormen bewust een kruisteken.

In 1915 trof een Duitse granaat de koepel waardoor het beeld van zijn sokkel loskwam en voorover ging hangen, in een wankel evenwicht. Er ontstond daardoor een legende: "Als de maagd valt, zal de oorlog voorbij zijn". Een foto van de beschadigde basiliek en haar hangend Mariabeeld werd als ansichtkaart door soldaten de wereld rondgestuurd, wat bijdroeg tot haar bekendheid. Het beeld kwam 16 april 1918 naar beneden, toen Albert weer in Duitse handen was gevallen. De Duitsers gebruikten de toren als observatiepost en dat was voor de Engelsen reden om met een gericht schot de maagd uit haar lijden te verlossen. Tijdens de restauratie van de basiliek van 1927 tot 1929 is een replica van het beeld op de koepel geplaatst.

Vlak naast de basiliek bevindt zich het Museum Somme 1916. Wij hebben dat museum niet bezocht maar het Historial de la Grande Guerre in Péronne. Volgens onze landlord een kapitale fout, want het museum in Albert is in zijn ogen veel mooier dan het staatsmuseum van Péronne.
Hij is dan ook een liefhebber van hardware. In het museum in Albert is in de onderaardse gangen van de kerk een groot aantal diorama’s gebouwd die een levendig beeld geven van het leven aan het front. Het modernere museum in Péronne, met teksten in het Frans, Engels en Duits, benadert de Grote Oorlog vanuit een bredere context, zoals bijvoorbeeld de politieke voorgeschiedenis en de propaganda van de regeringen om moed te krijgen en naar mate de oorlog vorderde de moed erin te houden. Meer didactiek en moderne techniek en minder bommen en granaten.

Albert ligt aan de spoorlijn Lille-Amiens. Het station van Albert stamt uit 1920, nadat het eerste exemplaar tijdens de oorlog was verwoest. In de stationshal hang een echt vliegtuig, een Potez 36 uit 1933, gebouwd door Henry Potez. Het is een eerbetoon aan deze grondlegger van een firma die uiteindelijk de Airbus zou opleveren.


Amiens
Amiens, dat is de macaron, een klein, zacht koekje met amandelsmaak, de gâteau battu, een eierkoek in de vorm van een koksmuts, de Picardische preitaart, gekonfijte eend en pannenkoeken. Amiens is ook de grootste kathedraal van Frankrijk en het graf van Jules Verne. En Amiens is de hoofdstad van de regio Picardië, waartoe het departement de Somme behoort, dus veel kantoren en veel winkels.

Om parkeerproblemen te voorkomen zijn we in Albert op de regionale trein gestapt naar ‘La Gare d’Amiens. Treinreizen lijkt duurder dan in Nederland (6,40 euro voor een ritje van 21 minuten en de retourprijs is gewoon twee keer de enkele prijs), maar je krijgt wel een mooi biljet in een mapje, dat ook nog eens twee maanden geldig is. Vanaf het station naar het Cimetière de La Madeleine is zo’n 4 kilometer, door het stadscentrum en langs de Somme. Een uur in de hitte lopen om het graf van Jules Verne te bezoeken, dat is niet voor iedereen weggelegd. La Madeleine is 18 hectare groot en telt naast Jules Verne nog zo’n 15 andere bekende Fransen, waaronder de uitvinder van een periscoop voor duikboten, maar bij niet-Fransen zullen de namen weinig enthousiaste reacties oproepen.

Op de terugweg door het centrum naar het station kom je de beroemde kathedraal tegen, de Notre-Dame d'Amiens. Vol met beelden en ruim voorzien van reliëfs, zoals het in acht bas-reliëfs uitgevoerde verhaal van Sint Firminus uit 1530. Firminus was een Franse bisschop van Spaanse afkomst, die tijdens christenvervolgingen in 303 in Amiens is onthoofd. Overigens is die Firminus ook patroonheilige van de Spaanse stad Pamplona. In juli worden ter zijner nagedachtenis de San Ferminfeesten gehouden, met als hoogtepunt het stierenrennen. Elke dag om acht uur 's ochtends worden zes vechtstieren door de nauwe straten van Pamplona gejaagd, voorafgegaan door groepen (dronken) jonge mannen, die op die manier hun mannelijkheid denken te moeten bewijzen. Om hun hals dragen ze een rode doek en die zou herinneren aan de onthoofding van Firminus.

Ook de Eerste Wereldoorlog heeft een plek in de kerk gevonden, want er hangt onder meer een bord waarin wordt opgeroepen te bidden voor de omgekomen zoon van de Britse premier Asquith.


La Boisselle
Toen de Slag bij de Somme begon, op 1 juli 1916, lag het front een kilometer of drie boven Albert, bij La Boisselle. Voor WO1-toeristen is een bezoek aan dit dorpje een ‘must’ vanwege de aanwezigheid van La Grande Mine, de grootste mijn van het westelijk front die net voor het officiële startsein van de slag om 7.30 uur de lucht invloog. De Engelsen hadden duizenden kilo’s ammonal onder de Duitse linie aangebracht, die na de ontsteking brokstukken meer dan een kilometer de lucht in lieten vliegen. De krater met een diameter van 100 meter en een diepte van 30 meter is sinds 1978 eigendom van de Engelsman Richard Dunning, die de plek wilde beschermen tegen de oprukkende landbouw. De Britten noemen hem Lochnagar, naar een berg in Schotland. Elk jaar vindt er op 1 juli een herdenkingsplechtigheid plaatst. Gedurende het jaar wordt de krater door zo’n 75.000 mensen bezocht waarmee het een van de drukst bezochte plaatsen is die herinneren aan de Eerste Wereldoorlog.

In 1998 zijn nog de overblijfselen gevonden van de Schotse soldaat George Nugent, die sinds 1 juli 1916 was vermist.


Thiepval
Aan de D73, tussen Thiepval en het riviertje de Ancre, ligt het gedenkteken voor de 36e Ulster Division. Of eigenlijk staat het er, want het lijkt een beetje op een klein uitgevallen kasteel. De Noord-Ieren moesten op 1 juli 1916 de Duitsers van de Schwabenschans verdrijven, maar dat lukte pas eind september. Achter de Ulster Tower bevindt zich een restaurant met minimuseum, beheerd door Britten.

Bij Thiepval (vroeger een groot dorp met een echt château, nu nog maar een paar huizen) staat het Thiepval Memorial to the Missing. Het monument werd gebouwd tussen 1928 en 1932 en onthuld door de Prins van Wales op 31 juli 1932. Het 45 meter hoge monument herdenkt ruim 72.000 vermiste Britse en Zuid-Afrikaanse soldaten uit de Eerste Wereldoorlog. Het is het grootste Britse oorlogsmonument ter wereld. Vóór het monument ligt een begaafplaats, waar 300 Engelse en 300 Franse onbekende militairen zijn begraven.
In 2004 is dichtbij het monument een bezoekerscentrum gebouwd.


Delvillewood
Engelsen in het algemeen en Engelse soldaten in het bijzonder spraken begin 20e eeuw vrijwel geen woord over de grens. Veel Franse namen van plaatsen en personen in het Somme-gebied werden dan ook ‘verengelst’. Het Bois d’Elville, in de buurt van Longueval, werd daarom Delville Wood genoemd, of ook wel Devil’s Wood (duivelsbos).

Tijdens de Slag bij de Somme raakten bij dit bos Zuid-Afrikaanse militairen in gevecht met de Duitsers. Van de 121 officieren overleefden 29 de slag en van de 3032 soldaten kwamen er 751 terug.
Na de gevechten stond in het hele bos geen boom meer overeind, op eentje na, een haagbeuk. Bij de boom is een steen met inscriptie geplaatst die hieraan herinnert. In het bos is een monument geplaatst en tegenover het bos is een begraafplaats, met enkele grafstenen die herinneren aan de Nederlandse afkomst van sommige Zuid-Afrikaners.
Het bos is later weer voor een deel weer aangeplant met boompjes uit Zuid-Afrika. Zij vormen de laan van de begraafplaats naar de ingang van het monument.


Newfoundland Memorial
Iedere zomer komen Canadese studenten naar Beaumont-Hamel in Frankrijk om een paar weken te werken als gids of als lid van het museumpersoneel in het Newfoundland Memorial Park, in het Frans Parc Terre-Neuvien. De plek wordt onderhouden door het Canadese Department of Veterans Affairs, hoewel er geen Canadees heeft gevochten of is gestorven. Het waren namelijk Newfoundlanders die in 1916 naar het front trokken nabij Beaumont-Hamel. Newfoundland was vroeger een Engelse kolonie, kreeg in 1907 zelfbestuur maar gaf dat in 1934 vrijwillig op. Pas in 1949 werd het een Canadese provincie.

Bij het begin van de Slag bij de Somme, 1 juli 1916 7.30 uur, lagen de Newfoundlanders wat naar achteren. Ze hoefden pas als derde aanvalsgolf de restanten van het Duitse verzet op te ruimen. Maar omdat de eerste twee Britse golven volkomen waren weggeslagen en de Duitsers naar verhouding comfortabel op hun komst zaten te wachten, kregen de Newfoundlanders een warm onthaal. Omdat de verbindingsloopgraven naar de eerste linie direct al vol doden en gewonden van de Britse aanvallers lagen, moesten de Newfoundlanders direct vanuit de derde linie aanvallen. Mede door de eigen prikkeldraadversperringen bleek dat vrijwel onmogelijk. Er was maar één gat in het prikkeldraad waar ze door konden kruipen. De Duitsers hoefden vanuit hun geschutskoepels met hun machinegeweren alleen maar op dat ene gat te richten..

Van de 801 Newfoundlanders die uit de loopgraven waren geklommen waren 255 gedood, 91 vermist en 386 gewond. Slechts 69 waren in staat om te antwoorden toen de volgende dag de namen op de presentielijst werden afgeroepen.

Het slagveld met zijn loopgraven en granaatinslagen is in 1922 een herdenkingspark geworden. Boven alles uit torent een bronzen kariboe, het wilde rendier dat het symbool is van het Newfoundland Regiment. Aan het eind, voorbij Hunters cemetery, staat het monument van de 51e divisie met de Schotse soldaat in een kilt. Het was deze divisie die het uiteindelijk lukte in het najaar van 1916 Beaumont-Hamel te veroveren.

Sinds 2001 is er bij de ingang een bezoekerscentrum met voorwerpen en afbeeldingen over de inwoners van Newfoundland en de strijd bij Beaumont-Hamel.


Mametz Wood
Het bos is er nog, Mametz Wood, aan een smal boerenweggetje tussen Mametz en Bazentin. In het bos bomkraters, stukken van loopgraven en niet-ontplofte munitie. Het zijn de restanten van een bloedige strijd tussen 7 juli 1916, toen soldaten van de 38e divisie uit Wales de Duitsers uit het bos moesten verjagen maar door mitrailleurs werden tegengehouden en 14 juli, toen de laatste vijanden waren verdwenen. De Welsh Division verloor ongeveer 4.000 man, gedood of gewond.

Om de slag en de slachtoffers te gedenken is in 1987 een gedenkteken geplaatst, een Welshe rode draak van drie meter hoog, gemaakt door de beeldhouwer David Petersen. Tijdens de 25e herdenking op 7 juli 2012 was hij een van de ruim 100 aanwezigen.
De Welshe dichter Owen Sheers schreef een gedicht over de gebeurtenis in zijn Skirrid Hill collectie:
"This morning, twenty men buried in one long grave,
a broken mosaic of bone linked arm in arm,
their skeletons paused mid dance-macabre"


Fricourt
Er is wat met zijn dode lichaam gezeuld. De Duitse oorlogsvlieger Manfred Albrecht Freiherr von Richthofen is op 21 april 1918 gestorven op een akker nabij Vaux-sur- Somme, een dag later begraven in het dorpje Bertangles, twee jaar later verplaatst naar een verzamelkerkhof bij Fricourt, in 1925 overgebracht naar het Invalidenfriedhof in Berlijn waar andere Duitse oorlogshelden begraven liggen en in 1975 (voorlopig) definitief te ruste gelegd in het familiegraf in Wiesbaden.

Een Duitse oorlogsheld was hij zeker, omdat hij in anderhalf jaar tijd tachtig vijandelijke vliegtuigen had neergehaald. Zijn eerste succes behaalde hij op 17 november 1916. Na zijn 11e overwinning, op de Britse aas Lance Walker, liet Von Richthofen zijn toestellen rood schilderen, wat hem de bijnaam De Rode Baron opleverde. Bij de Britten was hij zo gevreesd dat aan de piloot die hem kon neerhalen een eigen vliegtuig, 5000 pond sterling en het Victoria Cross werd beloofd.

Op 20 april 1918 maakte hij zijn tachtigste en laatste slachtoffer; een Sopwith Camel van de Royal Air Force. Een dag later vond Von Richthofen zelf de dood boven het slagveld toen hij de Canadees Wilfrid May laagvliegend achtervolgde. Er zijn aanwijzingen dat hij door één kogel in het hart werd getroffen, waarschijnlijk afkomstig van een mitrailleur op de grond. Een aantal soldaten beweerde hem neergeschoten te hebben: Captain Roy Brown (vanuit een vliegtuig), Gunner Robert Buie (vanaf de grond), Sergeant Popkin (vanaf de grond) en William John Evans (vanaf de grond). Volgens een onderzoek uitgevoerd door The Discovery Channel voor een documentaire over Von Richthofen bleek dat Evans het dodelijk schot heeft gevuurd.

Von Richthofen werd de volgende dag met militaire eer begraven door Engelse en Australische troepen in het dorpje Bertangles. Een Engelse piloot dropte een brief boven Duits gebied met de bevestiging van het nieuws.

De Australian War Memorial heeft beelden van de begrafenis van Manfred von Richthofen op Youtube gezet.

Diverse websites geven informatie over de persoon en het werk van Von Richthofen, onder meer deze en deze.


Guide
Je kunt nog zoveel boekjes hebben doorgenomen, folders hebben bekeken of sites hebben afgestruind, maar alleen als je een lokale gids hebt die de streek kent als z’n broekzak kom je op de beste plekken. Christophe Cabuzel van The Old Rifles in Bazentin is zo’n gids.

Hij kent bijvoorbeeld de schaarse plekken die de Slag bij de Somme nog echt laten zien. Vrijwel geheel Picardië is weer geëgaliseerd en begroeid, maar de neef van Christophe heeft nog een stuk land bij Fricourt waar de granaatinslagen ook na zo’n 100 jaar nog zichtbaar zijn. Er was geen geld om het terrein weer vlak te maken, zodat er nu een paar koeien grazen die precies weten waar de kuilen en gaten zitten.

Bij het Bois d’Engremont, ten zuiden van Fricourt, bevindt zich het Bois Français, dat buiten het vaste circuit van het slagveldtoerisme ligt. Op de heuvel in dit bos lagen in het begin van 1916 de Britse en Duitse loopgraven dicht tegen elkaar; op sommige plaatsen zelfs minder dan 100 meter. Toen de geallieerden op 1 juli 1916 aanvielen werden de Duitsers onder de voet gelopen. Twee dagen later was Fricourt ingenomen en was het Bois Français geen frontlijn meer.

Als je van Bazentin naar het noorden gaat is het eerste dorpje dat je tegenkomt Martinpuich. Bij de ingang van het dorp hebben de Duitsers bunkers gebouwd. In de jaren ’20 zijn de meeste bunkers opgeblazen, maar die in Martinpuich zijn nog in redelijke staat.

Omdat de Duitsers volgens de geallieerden de Eerste Wereldoorlog hebben verloren, zijn er weinig Duitse monumenten in Frankrijk te vinden. Achter een stal in Le Sars, onbereikbaar door het prikkeldraad dat de boer heeft aangebracht, zijn de restanten te vinden van een monument dat de doden eert van het 111e Reserve Infanterie Regiment uit Baden. Deze soldaten vochten in Fricourt, Mametz, Montauban, La Boiselle en Serre.

Christophe weet ook waar de granaten, kogels, restanten van kledingstukken en spijkers uit loopgraven zijn te vinden. Als kind haalde hij met zijn vriendjes kilo’s uit de aarde, maar tegenwoordig vind je ze niet zo makkelijk meer. In het Bois de Mametz bijvoorbeeld, tegenover het Welsh Monument, is na een regenbui nog wel iets te halen. Maar alleen door een autochtoon, want anders is het veel te gevaarlijk door de niet-ontplofte munitie.

Christophe Cabuzel, Delphine Lelong en hun Gite in Bazentin zijn ook op internet te vinden, met informatie over The Old Rifles.